De Meerval
De meerval is een langgerekte vis met een afgeplatte bek, een vrijwel rolrond lichaam met een dikke buik en een zeer lange staart. De meerval heeft zes baarddraden aan zijn opvallend grote bek: twee zeer lange baarddraden vlak voor en boven de mondhoeken, en twee paar aan de onderzijde van zijn bek waarvan de achterste twee wat meer naar buiten staan. Hij heeft een zeer klein rugvinnetje en een zeer lange anaalvin.De ogen zijn klein en de huid is onbeschubd. De zijlijn is volledig.
De meerval is doorgaans donkergroen tot zwart aan de bovenzijde en vaak zilverachtig tot wit aan de onderzijde. Het kleurverloop is grillig en vlekkerig. Ook allerlei kleurafwijkingen zoals albino’s komen relatief vaak voor.
Soms worden in de dierenhandel rode, gele of roze exemplaren aangeboden. Dit zijn geen bijzondere kleurvormen, zoals ze in de winkel worden aangeprezen, maar simpelweg exemplaren die zijn geïnjecteerd met inkt. Dit is niet goed voor de vis, die de kleur (uiteraard) na enige tijd weer verliest.
De Europese meerval voelt zich het best thuis in rivieren met een wisselend waterpeil, maar ook in grote, diepe meren met ondiepe, uitgestrekte oeverzones kan hij zich prima handhaven. Het dier heeft een voorkeur voor ontoegankelijke, dicht begroeide wateren met een zachte bodem. In de grote rivieren komen meervallen voor in diepe kommen en jagen ze ‘s nachts op ondiepe plekken. Meervallen zoeken overdag graag een schuilplaats op waaronder ze kunnen schuilen.
Voedsel
Een jonge meerval leeft voornamelijk van ongewervelde diertjes die hij op de bodem vindt, maar ontwikkelt zich al vroeg tot een meesterlijke jager op grotere diersoorten die hij in het water tegenkomt. In begroeide wateren kan de meerval een flinke slachting aanrichten onder het zeeltbestand. In troebele onbegroeide wateren zijn brasem, karper, paling en snoekbaars geliefde prooien. Meervallen jagen ook vaak op watervogels zoals meerkoeten, amfibieën en kleine zoogdieren. Voor de mens is de meerval ongevaarlijk. Vanwege de grootte moet wel opgepast worden bij het vissen op meerval. ‘s Nachts heeft de meerval veel profijt van zijn zeer goede gehoor. Door middel van een aantal verbonden beenstukjes, het orgaan van Weber, worden geluidstrillingen van de zwemblaas overgebracht naar het middenoor. Ook de baarddraden met tastzin en de smaakzin zijn belangrijk voor het opsporen van prooien. Daarnaast zijn de geur en de zijlijn belangrijk, en tenslotte heeft de meerval ook nog elektroreceptoren waarmee hij prooien kan waarnemen.
Vissers maken gebruik van het goede gehoor van de meerval door het gebruik van het kwakhout. De ploppende geluiden die dit speciaal gevormd stuk hout maakt, trekken de meerval al van grote afstand aan. Vaak wordt ook kunstaas gebruikt dat geluid produceert.
Voortplanting
Meervallen paaien van mei tot juli wanneer de watertemperatuur boven de 18° C is. Ze zoeken ondiep plantenrijk water op en ze zetten paarsgewijs af in een primitief nest van plantendelen of een ondiepe kuil. Het vrouwtje zet ongeveer 3000 lichtgroene kleverige eitjes van 3 mm groot per kg lichaamsgewicht. Het mannetje bewaakt het nest totdat de eitjes uitkomen, wat ongeveer een week duurt.
Groei
De meerval groeit bijzonder snel. Na de eerste zomer kan de meerval al 500 gram zwaar zijn en ze kunnen al op twee- of driejarige leeftijd bij een gewicht van één of twee kg geslachtsrijp zijn.
De hoogste aangetoonde leeftijd bij een meerval was 80 jaar. Afmetingen van 150 tot 180 cm zijn voor een volwassen exemplaar van ca. 25 jaar onder de juiste leefomstandigheden heel normaal. Sommige exemplaren overschrijden zelfs de twee meter. Er zijn verhalen over vissen van 3 tot 6 meter, maar voor vangsten van meervallen langer dan 2,6 meter is geen enkel bewijs.
Tot een lengte van ca. 130 cm is de meerval een slanke vis, maar daarboven nemen omvang en gewicht drastisch toe.
|
|
|


